Gibrat
Gibrat
Voyeur malgré lui Cambeyrac, 1944. La guerre. Passer pour mort aux yeux de tous offre avantages comme inconvénients. Julien Sarlat en sait quelque chose, lui qui, depuis la chambre de l'instituteur emmené par la milice, a assisté à son propre enterrement. Mort et voyeur malgré lui, jusqu'où cette situation insolite va-t-elle le mener ? Suite et fin, le tome II donne du Sursis le sens profond et inattendu de ce mot.
Deux soeurs séparées par la guerre, Paris, fin juin 1944. En fuite, traquée par la police française, Jeanne s'est réfugiée sur la péniche d'Huguette et de René, un marinier haut en couleurs dont la gouaille n'a d'égale que sa générosité. Tandis que François, l'ami de René, vaque à ses occupations de pilleur d'appartements, Jeanne ronge son frein, angoissée. Les événements prennent un tour plus tragique encore, quand la péniche de René est réquisitionnée par les Allemands et qu'un soldat de la Wehrmacht est assigné à sa garde. Tandis que l'embarcation quitte Paris pour la Bourgogne, la présence du Boche, en proie à ses propres démons, alourdit considérablement le climat. Pour Jeanne, sublime, forcément sublime, deux questions restées sans réponses la taraudent : qui a bien pu la dénoncer auprès de la police française et qu'est devenue Cécile, sa soeur adorée ? Du grand art, tout simplement. Suite et fin du Vol du corbeau, ce tome 2 confirme, s'il en était besoin, Jean-Pierre Gibrat dans son statut d'auteur indispensable à la bande dessinée contemporaine. Comédie de moeurs et tragédie de situation, dialogue savoureux et sonnant justes comme rarement en bande dessinée, portraits incisifs fouillant jusqu'à l'âme la vérité humaine, l'histoire va crescendo, passionnante et passionnée, jusqu'au dénouement, inattendu et saisissant. Une oeuvre profonde, singulière, sublimée par un dessin et des couleurs somptueux. Jean-Pierre Gibrat s'est vu remettre, le jeudi 26 janvier 2006, le Prix du dessin au Festival d'Angoulême pour le second tome du Vol du corbeau.
Un surprenant destin Juin 1943. Julien Sarlat saute du train qui le conduit en Allemagne et gagne le petit village de Cambeyrac, dans l'Aveyron, pour s'y cacher à l'insu des villageois en attendant la fin des hostilités. Étonnante intervention du destin : le train qui devait l'emmener est bombardé et, parmi les victimes, un corps a été identifié comme étant le sien. Le voilà mort aux yeux du monde. Profitant de cette situation inattendue, il s'enferme dans le grenier de l'instituteur, arrêté par la Gestapo française et dont la maison a été mise sous scellés. Dès lors, depuis ce poste d'observation donnant sur la place du village, le mort vivant va assister à ce théâtre permanent qu'offrent les gens dans le déroulement des jours. Amours, haines, jalousies, lâchetés, mouvements du coeur, actes d'héroïsme, rien n'échappera à l'observateur. Jusqu'au moment où, de spectateur qu'il était, il sera lui-même acteur et rencontrera à nouveau son destin, cruel et moqueur, toujours inattendu, qui lui aura juste accordé un sursis.
Philippe wordt vandaag drieënvijftig. Hij voelt zich thuis in zijn huis, zijn kinderen zijn volwassen, zijn moeder kletst erop los en zijn nieuwe fiets is een juweeltje. Het is een eenvoudig leven, maar hij heeft het eerlijk verdiend. Dan verpest zijn baas de sfeer grondig, want Philippe wordt ontslagen. Geen cadeaus van die kant. Het is niks persoonlijks. Collateral damage van de mondialisering. Philippe voelt de grond onder zijn voeten wegzakken. Hij raakt alles kwijt, tot zelfs het dak boven zijn hoofd. Maar het drama zal hem ook aan het denken zetten. Hij wil zijn blik op de mensheid bijstellen. Eerlijke lui zijn heel bijzonder...Een tragikomische kroniek van twee auteurs die hun personages koesteren. Jean-Pierre Gibrat (scenario) en Christian Durieux (tekeningen) slagen er samen in om de menselijke kant van hun verhaal te laten nazinderen.
Veel mensen die je zowat alle dagen ziet, zijn eerlijke lui. Mensen die zich, zonder op te vallen, met ups en downs door het leven proberen te slaan. Een meevaller, een tegenslag... ze proberen alles een plaats in hun leven te geven. Gibrat en Durieux vertellen met veel humor over de familie Mache. Philippe is sinds kort opa maar heeft ook nog een zoon die er weinig van bakt. Arnaud wordt van school gestuurd en wil naar een koksschool in Bordeaux. Omdat zo'n treinreis verschrikkelijk saai kan zijn, en omdat je je op zo'n moment realiseert wat je in die tijd voor nuttigs had kunnen doen - je haar laten knippen, bijvoorbeeld - krijg je soms ook grandioze invallen. Een kapperszaak beginnen in een rijtuig van de TGV. Misschien is het wel een goudmijn.
Philippe Manche heeft in een pittoresk Frans dorpje te midden van de wijngaarden rond Bordeaux eindelijk rust gevonden. Hij runt er de boekhandel die hij erfde van Robert en vult zijn vrije tijd met vispartijtjes met zijn vrienden en een liefdesrelatie per brief met Camille. Als de zomer aanbreekt, komen zijn moeder en zijn zoon de vakantie bij hem doorbrengen. De ontwapenende dialogen en meeslepende zachtmoedigheid van de 'eerlijke lui' die Gibrat opvoert, zijn opnieuw roerend.
Het leven loopt niet altijd van een leien dakje en delevenswandel van Philippe is op z'n zachtst gezegdbewogen geweest. Wat trouwens net zo goed van zijnentourage gezegd kan worden. Maar in het vierde enlaatste deel van deze fijne familiekroniek van Jean-Pierre Gibrat en Christian Durieux, lijken de levenspadenvan Philippe en zijn vrienden eindelijk hun richting tevinden. Het leven zoals het is, zonder ermee te morsen.
Cambeyrac, 1944. Oorlog. Doodgewaand zijn heeft voordelen, maar ook nadelen. Julien Sarlat weet er alles van. Vanuit het zolderraam in het huis van de dorpsonderwijzer, die is opgepakt door militieleden, kijkt hij naar zijn eigen begrafenis. Dode én voyeur is hij. Allebei tegen wil en dank. Hoe zal deze bizarre geschiedenis aflopen? Deel twee van "Het uitstel" brengt een pakkend en totaal onverwacht slot.